Meer pensioenfondsen varen later in

Ruim twee jaar na inwerkingtreding van de nieuwe Pensioenwet (officieel: de Wet Toekomst Pensioenen) is de transitie naar een nieuw pensioenstelsel en de daarbij horende overgang naar een nieuwe pensioenregeling per pensioenfonds in volle gang. Terwijl vóór inwerkingtreding van de wet veel fondsen aangaven zo snel mogelijk te willen ‘invaren’ in een nieuwe pensioenregeling blijkt de praktijk weerbarstiger. Inmiddels hebben heel wat pensioenfondsen laten weten later dan oorspronkelijk gepland te zullen overstappen. Dat aantal is op dit moment opgelopen tot maar liefst 78.
De redenen daarvoor zijn divers (van ‘onduidelijkheden in de wet’ en ‘geen ruimte door filevorming’ bij de pensioenuitvoerder tot ‘de strenge Nederlandse Bank’), maar de rode draad is helder: het is allemaal een stuk complexer dan gedacht. En dat terwijl ‘het wordt eenvoudiger’ een van de doelstellingen van de nieuwe wet was. Het is niet voor niets dat de wetgever de uiterste datum waarop pensioenfondsen kunnen overstappen naar een nieuwe regeling inmiddels heeft opgeschoven naar 2028. Dat is maar liefst negen jaar nadat sociale partners en kabinet in 2019 een pensioenakkoord sloten met de belofte ‘Iedereen gaat erop vooruit! Het is dan ook geen overbodige luxe geweest dat de Koepel Gepensioneerden vanaf het begin heeft gepleit om het mogelijk te maken pensioenen al in de aanloop naar de nieuwe pensioenregelingen makkelijker te verhogen. Dat pleidooi was succesvol en leidde de afgelopen jaren tot grotere pensioenverhogingen (indexatie) dan de vijftien jaar daarvóór het geval was.
De Koepel verwacht overigens dat de meeste pensioenen ook per 1 januari aanstaande zullen stijgen. Bij fondsen die overstappen, kan die stijging fors zijn omdat daar de onder het huidige stelsel verplicht opgebouwde buffers deels kunnen worden ‘uitgedeeld’. Dat is ook de reden dat gepensioneerden in de tijdens afgelopen Prinsjesdag gepubliceerde koopkrachtcijfers voor 2026 voor het eerst in jaren eens niet helemaal onderaan bungelden. Daar hoort overigens wel een stevige ‘winstwaarschuwing’ bij: gepensioneerden wiens pensioenfonds nog niet volgend jaar invaart (en gepensioneerden wiens fonds er minder florissant voorstaat waarbij dus minder of niets te verdelen valt) profiteren niet van de hiervoor bedoelde ‘invaarbonus’.
Nadat op 1 januari van dit jaar de eerste drie pensioenfondsen zijn ingevaren (het personeelspensioenfonds van pensioenuitvoerder APG, het pensioenfonds voor loodsen en het pensioenfonds voor mensen die werken in de sociale werkvoorziening), volgde op 1 juli het pensioenfonds Openbare Bibliotheken. Op 1 oktober stapt het pensioenfonds voor fysiotherapeuten over. Van alle fondsen die op 1 januari 2026 wilden invaren (dat was aanvankelijk de grootste groep), zijn er nu nog twintig over. Daaronder bevinden zich overigens wel zulke grote bedrijfstakpensioenfondsen als die voor de bouw, metaal en techniek en zorg en welzijn. De verwachting is dat zeker de gepensioneerden bij het Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid een forse invaarbonus tegemoet kunnen zien. De zogenaamde ‘dekkingsgraad’ van dat fonds bedraagt momenteel maar liefst 135%.